De kam voor de dag

Zonsopgang boven de Lachat van Thônes

Het is nog donker als Agathe en Hugo hun veters strikken op de parkeerplaats van Entre Deux Nants. Een kop koffie snel achterover geslagen, staand tegen de portier, terwijl de hoofdlampen één voor één aangaan. Het is 4.30 uur, het Sentier des Millières verdwijnt in het duister, en de enige gedachte is om daarboven te zijn voor de eerste zonnestralen.

Sentier des Millières: omhoog voor de zon opkomt

Het pad slingert eerst door het bos, passeert het gehucht Les Fours en zijn oratorium uit 1807, een eenvoudige opgerichte steen die de tocht van die dag nauwelijks raakt. De benen zijn nog koud, de ademhaling zoekt zijn ritme. Hugo houdt het NAGALAKA windjack dicht tot aan Les Fours, totdat het lichaam zijn ritme vindt op de eerste haarspeldbochten.

De kam van de Lachat van Thônes, terrein voor technische passen

Voorbij het chalet van de Mont verlaat het pad het bos en opent zich op de alpenweide, daarna op de kam. Hier is het een ander terrein: puinhelling, lapiaz, een pad dat slingert tussen de rotsblokken tot aan het ijzeren kruis van Lachat. Zeven kilometer, meer dan duizend meter stijging, en een wind die de kam nooit helemaal loslaat. Agathe draagt het TANKTREK hemd onder haar jas, net genoeg om niet te bevriezen zonder te stikken van de inspanning.

Bovenop de Lachat ontvouwt zich de Aravis-keten

De zon komt eindelijk tevoorschijn, recht boven de Aravis. Vanaf het kruis, op bijna 1950 meter hoogte, strekt het uitzicht zich uit over het massief van de Bauges, de Tournette en, bij helder weer, tot aan het plateau van de Glières. Agathe en Hugo stoppen een paar minuten, om het licht nog even te laten toenemen, voordat ze in dezelfde stilte aan de afdaling beginnen die hen zo vroeg heeft doen vertrekken.